Boekenmarkt


Bezoek uit Nordhausen


Buitendag 16 mei







|
|
|
|
|
|
IN HET MIDDEN
Onlangs werd in onze kerk tweemaal achtereen, door ds. Buiteveld en ds. Tuinman-Wouters, die dat van elkaar niet wisten, over de eerste Wonderbare Spijziging (Marcus 6) gepreekt. Behalve een licht hilarisch moment bij de aankondiging van de tweede preek was het vooral interessant om hetzelfde verhaal van verschillende kanten belicht te zien. Het zou overigens misschien zo’n gek idee niet zijn om gastpredikanten te vragen om hun licht eens te doen schijnen over een vooraf te bepalen Schriftgedeelte, en dat gedurende – bijvoorbeeld – over een tijdsbestek van drie maanden. Maar dit terzijde.
Mij viel bij de eerste lezing een tussenzin op. Marcus 6: 34 luidt: En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren (NV 1957). De Nieuwe Bijbelvertaling zegt: Toen hij uit de boot stapte zag hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en hij onderwees hen langdurig. De Willibrordvertaling (1975) zegt het zo: Toen Jezus aan land ging, zag hij een grote menigte. Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder, en hij begon hen uitvoerig te onderrichten. De Naardense vertaling tot slot: … hij raakt diep bewogen over hen, omdat zij zijn ‘als schapen die geen herder hebben’, en hij vangt aan hen te onderrichten, uitvoerig’.
Ik licht uit deze teksten twee kernen: medelijden dan wel bewogenheid, en het onderrichten. Medelijden vind ik van een andere orde dan bewogenheid. Een ongelukkige greep van de vertalers, lijkt me. Daarna: het onderrichten: “vele dingen”, “langdurig”, en, tweemaal, “uitvoerig”.
Hier zien we een karakteristiek van de bewogen leraar, een leraar die we graag zien en als we het geluk hadden, ook zelf op school hebben meegemaakt. Zo’n bevlogen man of vrouw aan wie we tientallen jaren later nog met genoegen en dankbaarheid terugdenken. Leraren
die zich misschien minder aan de voorgeschreven lesstof hielden dan vereist was, maar die ons iets meegaven waar we levenslang plezier van hebben. Zelf denk ik hier graag terug aan dr. Jelle Wytzes, destijds (1948-1965) rector van het Marnix Gymnasium te Rotterdam, die
tijdens zijn lessen in extase kon raken als hij over Plato sprak, maar ook over een kerkvader als Augustinus of de dichter J.C. Bloem. Natuurlijk waren er ook leraren die zich pijnlijk aan de lesstof hielden, vakmatig vast heel goed waren, maar die de geest misten om hun leerlingen iets mee te geven, als schapen zonder herder. Aan leraren met medelijden heeft niemand wat, wat telt zijn bewogenheid en inleven. Ik denk graag aan hen terug. Wie naar Jezus geluisterd hebben, hebben dat vast ook gedaan.
JanAnton Burger
IN HET MIDDEN (juni/juli)
De bijbel haalt lang niet altijd het niveau van de Psalmen of Prediker en sommige stukken, ook in het Nieuwe Testament, lezen zelfs onprettig. Daarom is het misschien de moeite waard op een zonnige zomerdag een van de aardigste gelijkenissen, die van de Verloren Zoon, eens wat nader te bekijken, zij het ook niet met de ogen van een gediplomeerd
theoloog.
Iedereen kent het verhaal: een jongste zoon vraagt zijn deel van de erfenis - in de tijd van Jezus niet zo heel ongebruikelijk - en maakt daarmee goede sier totdat alles op is en hij weer teruggaat naar zijn vader die hem gastvrij ontvangt, maar wel tot ongenoegen van zijn
broer, een hardwerkend en deugdzaam man.
Wat valt nu op in dit verhaal? In de eerste plaats moeten we constateren dat de Nederlandse vertaling strenger is dan de Franse of Engelse. Wij spreken immers van de verloren zoon, terwijl hij in die andere vertalingen wordt aangeduid als de verkwistende zoon, een wat mildere toonzetting zonder het vernietigende morele oordeel dat de Nederlandse tekst velt. Maar er is meer: in het Nieuwe Testament wordt de morele lat gewoonlijk zeer hoog gelegd, hetgeen wel eens ontmoedigt. Hier echter lezen wij iets anders: het geld is op, er komt hongersnood en de zoon wil terug naar zijn vader omdat daar zelfs de dagloners het beter hebben. Van een echt berouw over zijn levenswandel blijkt evenwel weinig; hij geeft toe gezondigd te hebben tegen de hemel, maar dat klinkt eerlijk gezegd niet erg overtuigend, want honger en gebrek lijken toch de voornaamste drijfveren en onwillekeurig schieten ons dan de woorden van Brecht “Erst kommt das Fressen und dann die Moral” te binnen. Maar wonderlijk genoeg blijkt zijn vader tevreden met dit toch wat schrale berouw. Hij kapittelt hem niet, wrijft hem zijn losbollig bestaan niet in, maar laat hem als het ware opnieuw geboren worden.
De oudste zoon kan deze gang van zaken moeilijk accepteren. Hij is een braaf man, ontzegt zich veel plezier om de zaken draaiende te houden en voelt zich nu eigenlijk bedrogen. En wij zijn geneigd hem gelijk te geven. Had hij ook zijn genoegen niet wat meer buitenshuis
moeten zoeken nu loon naar werken blijkbaar niet zijn deel is? En: had hij niet eens met zijn vader kunnen overleggen, want die is blijkbaar geen slavendrijver. Maar in plaats van hem te prijzen vanwege zijn deugdzaamheid berispt zijn vader hem min of meer: hij heeft geen oog voor de gelukkige situatie waarin hij verkeert en behoort zich te verheugen over de behouden terugkomst van zijn broer die immers dood was.
Als conclusie zou je kunnen zeggen dat er in feite twee verloren zonen waren: de jongste die zijn geluk verloor en de oudste die zijn geluk niet opmerkte; de een verloor zijn vrijheid en de ander benutte die niet. Het verhaal heeft een open einde, want wij weten niet of beiden zich verzoenden. Maar laten wij geen van beiden onze sympathie onthouden en vooral dankbaar zijn voor de mildheid van de vader die hen beiden ophief uit hun beperkingen en de mogelijkheid bood echt en waarachtig voort te leven.
Frits Hofmeijer.

Rembrandt van Rijn, 1636