Startzondag

De kinderen van het knutselverteluur hebben op de Startzondag de 10 geboden nog eens in eigen woorden opgeschreven. Mozes kwam ze zelf brengen om ze aan alle kerkgangers voor te lezen.


















IN HET MIDDEN

Onze kerkenraadsvergaderingen beginnen steevast met een persoonlijke bijdrage van een roostermatig aangewezen kerkenraadslid: zoveel hoofden, zoveel verschillende bijdragen. De een leest uit de Belijdenissen van Augustinus, een ander uit het onlangs verschenen Compassie en weer een ander uit Paulus’ eerste brief aan de Thessalonicenzen.
Soms geeft de voorlezer een kleine toelichting of commentaar op het gelezen, soms ook komt er een korte discussie over.
Onlangs was de beurt aan mij. Ik koos ervoor Psalm 92 te lezen, in de vertaling van het NBG (1951). Na de psalm gelezen te hebben zei ik dat ik hierbij wilde laten en ging de vergadering over tot de orde van de agenda.

Ik had achteraf over mijn zwijgen toch een onbevredigend gevoel. Natuurlijk kun je zeggen dat de tekst maar voor zichzelf moet spreken, maar dat was me te gemakkelijk. Want wáárom koos ik een psalm, en waarom deze psalm? Ik wil proberen op deze vragen een antwoord te geven.
Voor mij vormen de psalmen het hart van de bijbel en dat niet alleen letterlijk omdat je ze zo gemakkelijk vindt als je de bijbel in het midden openslaat. Ik denk dat er geen emotie is die niet in een psalm is verwoord en waar de mens met zijn schepper in dialoog is. Daarom kan een eredienst naar mijn mening ook niet zonder het lezen of zingen van een of meerdere psalmen!

Onlangs hoorde ik dat de psalmen in de synagoge onberijmd worden gezóngen. Tijdens de inwijding van de synagoge hier in Deventer in november 2011 maakten Annemieke Rubingh en ik dat ook mee! Wij hebben als christenen daarvoor eeuwenlang geen aandacht gehad. En wie in de Statenvertaling de psalmen opzoekt zal zien dat deze anders worden afgedrukt dan in de Nieuwe en latere vertalingen. Daar vindt men de psalmen in versvorm, terwijl de oude vertaling een doorlopende tekst heeft.

Dit brengt mij op mijn keus voor psalm 92.
Deze psalm moet mij al heel jong bekoord hebben. Ik vond laatst in een oud sigarenkistje thuis een bladzij uit een schoolschrift, volgeschreven met vreemde leestekens. Ik heb er een tijd naar zitten kijken tot het tot mij doordrong dat dit mijn eigen handschrift was, zij het in een zelfontworpen ‘geheimschrift’ zoals avontuurlijke jongetjes dat wel eens kunnen verzinnen… Toen ik de tekens ging herkennen, kwam Psalm 92 tevoorschijn! Kennelijk heeft deze psalm zo’n grote indruk op de vermoedelijk tienjarige ontwerper gemaakt dat het deze bewerking heeft ondergaan.
Ik geef uit deze psalm drie kernen aan: de lofprijzing, de wereld waarin wij leven, en de profetie.

- De lofprijzing is duidelijk: “het is goed den Here te loven”.
- Dan de wereld waarin wij leven: ik was in 1955 tien jaar. De Koude Oorlog woedde alom. De verzuiling was nog immens. Communisten, socialisten en ‘roomsen’, daar moest je je verre van houden in het protestantse milieu waarin ik verkeerde. “In de wereld, niet van de wereld” zogezegd. Je wist van vervolgingen, in het verre verleden maar toen ook nog zo dichtbij.
- De profetie: púre poëzie. Om te smullen, dat ritme en het vèrgezicht.

Ik moet de laatste tijd bij die profetie steeds vaker denken aan onze geloofsgemeenschap.
Een statisticus heeft onlangs uitgerekend dat om en nabij 40% daarvan 80 jaar of ouder is… Jazeker, in ons Penninckshuis wordt volop vrucht gedragen.

JanAnton Burger

IN HET MIDDEN (januari 2012)

V e e l h e i l e n z e g e n
Voor alles wil ik iedereen mede namens Aagje veel heil en zegen toewensen in het nieuwe jaar. Het zijn ouderwetse woorden, maar ze zitten vol betekenis. Het woord ‘heil’ komt van ‘heel zijn’ en in ‘zegen’ zit iets van omhooggehouden worden. Wat je elkaar met deze oude spreuk dus toewenst is dat je mag uitgroeien, doorgroeien, tot een mens die een met zichzelf is en thuis in zijn omgeving, en dat je je in dat proces door God gedragen mag voelen. Het moet wel een heel goed jaar worden als je dat allemaal mag gebeuren.
De stukjes hieronder borduren voort op dit thema

G o e d e w e n s e n v a n A b e l H e r z b e r g
Wijlen Abel Herzberg, de joodse schrijver en publicist, die Auschwitz overleefde en het geloof behield, heeft eens gezegd: ‘Zoals er mensen zijn die zingen, niet omdat ze dat bewust willen, maar omdat er een stem in hen oprijst, zo zijn er ook mensen die geloven, niet uit angst of op hoop van beloning, maar omdat ze krachtens hun wezen niet anders kunnen.'. Dat dat geluk ons allen mag overkomen.

B e v r ij d t o t l e v e n z o n d e r k r a m p
Ik dacht: ik haal het uit de boeken.
Ik dacht: ik vecht me vrij.
Ik dacht dat ik het ver moest zoeken.
Waarschijnlijk ligt het heel dichtbij.
Ik dacht: ik moet mijn vuisten ballen.
Iemand zei: open je hand.
Ik was bang om door de mand te vallen.
Iemand zei: er is geen mand.
Freek de Jonge

E e n g o e d v o o r n e m e n v o o r i e d e r d i e o n d e r w e g i e t s i s k w ij t g e r a a k t
Op een speelplaats bij een missieschool ergens in Nairobi, de hoofdstad van het Afrikaanse land Kenia, zat een negerjongetje op een boomstam. Terwijl de andere kinderen aan het spelen waren, keek hij rustig voor zich heen.
De blanke, uit Europa afkomstige, onderwijzer die toezicht hield, ergerde zich aan het in zijn ogen luie gedrag van de jongen. Hij had al een paar keer geïrriteerd in diens richting gekeken, maar de jongen was gebleven waar hij was.
‘Wat zit je hier te doen?’, beet meester hem tenslotte, ongeduldig geworden, toe. Het kind keek hem verbaasd aan en zei: ‘Ik zit te zijn.’
Je zou jaloers op zo’n kind kunnen worden. Hij heeft iets wat wij in het zogenaamde rijke westen zijn kwijtgeraakt, het op kunnen gaan in dingen, het genieten in de diepte. Moge ons dat weer opnieuw worden geschonken.

T e l u w z e g e n i n g e n
Er was eens een man die maar steeds liep te jammeren hoe slecht hij het wel niet had en wat er wel niet allemaal ontbrak in zijn leven. Op een dag spreekt iemand hem er over aan. ‘Zou jij voor 1000 roebel je rechterhand willen missen,’ zo vraagt-ie. ‘O nee,’ antwoordt de klager, ‘voor nog geen honderdduizend.’ ‘En je ogen,’ gaat de ander verder, ‘ zou je die kwijt willen voor 100 gouden staven?’
‘Ben je gek,’ roept de zeurpiet uit, ‘ voor een miljoen gouden staven zou ik dat nog niet doen.’
‘Dan zou ik maar ophouden met jammeren,’ zo besluit zijn gesprekspartner, ‘God heeft je zo te horen steenrijk gemaakt.’
(vrij weergegeven naar het origineel van de Russische schrijver Tolstoj)

Met hartelijke groeten, jelmer koornstra.

 

 



 

 








---- Gewijzigd op 4-02-2012 ----